snelmenu
patiŽnteninformatie

Late complicaties als gevolg van chemotherapie of radiotherapie

Chemotherapie en radiotherapie zijn zeer effectieve behandelingen voor een grote variŽteit aan kwaadaardige bloed- en lymfklierziekten. Veel patiŽnten zijn inmiddels genezen van hun oorspronkelijke ziekte. Jarenlange observatie van deze patiŽnten heeft echter aan het licht gebracht dat de behandeling, vele jaren daarvůůr, in sommige gevallen schade heeft veroorzaakt die pas laat aan het licht komt. We bespreken hier wat er nu bekend is over deze late schade en het risico op late complicaties na vroegere behandelingen. Nu we hier meer van weten zijn de huidige therapieŽn sterk aangepast. Toch is het soms, ook in de 21e eeuw, onvermijdelijk een patiŽnt een behandeling voor een vorm van kanker aan te moeten bieden waarvan bekend is dat deze bij een enkele patiŽnt late schade kan veroorzaken.

Radiotherapie en ook cytostatica (celdodende middelen) veroorzaken schade aan celkernmateriaal. Door deze eigenschap zijn ze uitermate geschikt als antikankertherapie, maar kunnen ze ook schade aanbrengen aan gezonde cellen, wat pas jaren later aan het licht kan komen.

De late schade kan onderscheiden worden naar het soort behandeling dat is gegeven voor de oorspronkelijke kwaadaardige aandoening, en naar het tijdsinterval tussen die behandeling en het tot uiting komen van de schade.

Aan chemotherapie gerelateerde schade

Late schade als gevolg van chemotherapie kan de volgende vormen aannemen.

Aan radiotherapie gerelateerde schade

Gebieden die bestraald zijn blijven levenslang risico's opleveren. Deze risico's zijn tweeledig: enerzijds schade aan de bloedvaten die in het bestraalde gebied liggen, en anderzijds de kans op ontwikkeling van een nieuwe kwaadaardige aandoening, eveneens uitgaande van de weefsels in het oorspronkelijk bestraalde gebied. Net als bij chemotherapie geldt hier een tijdsinterval: hoe langer geleden, hoe groter de kans op schade. Een toename van nieuwe vormen van kanker wordt pas waargenomen vanaf circa 10†jaar na het einde van de bestraling. In de jaren daarna neemt de kans hierop toe. Het is goed zich te realiseren dat – aangezien kanker en hart- en vaatziekten sowieso veel voorkomen – het soms moeilijk is een relatie aan te tonen met de oorspronkelijke behandeling.

Het is belangrijk te weten waar op het lichaam een patiŽnt ooit bestraald is geweest. Ook de hoeveelheid bestraling speelt een rol: hoe meer, hoe groter het risico. De laatste jaren zijn zeer lage doses gebruikt (twee bestralingen van 2†Gray bijvoorbeeld bij sommige soorten non-Hodgkin-lymfoom). Het risico op late schade na zeer lage hoeveelheid is waarschijnlijk verwaarloosbaar klein. In sommige gevallen geldt ook een leeftijdsfactor. Sommige complicaties treden voornamelijk op bij jonge patiŽnten, andere juist bij ouderen.

Samenvattend zijn de volgende punten bepalend voor eventuele schade:

Algemene preventie

Gezien het risico op hart-en vaatziekten geldt voor vrijwel alle patiŽnten dat het belangrijk is alle factoren die ook het risico op hart- en vaatziekten verhogen uit te schakelen: niet roken, controle van het cholesterolgehalte in het bloed, controle van de bloeddruk en streven naar een gezonde leefstijl met voldoende lichaamsbeweging. Wat het risico op tweede tumoren betreft: bij zonnebaden is extra bescherming nodig met een zonnebrandcrŤme met een hoge beschermingsfactor op het gebied dat ooit bestraald is geweest om huidkanker ter plekke te voorkomen. Als er afwijkingen (een vlekje, bultje of wondje dat niet wil genezen) in de huid optreden in een gebied dat vroeger is bestraald, is het belangrijk hiermee naar een arts te gaan.

Late bijwerkingen

Hierna worden de mogelijke late bijwerkingen in relatie tot bepaalde bestraalde gebieden van het lichaam beschreven, samen met de preventieve maatregelen.

Monitoren op late toxiciteit na vroegere chemotherapie en bestraling

Elk advies met betrekking tot het monitoren van late complicaties c.q. actieve interventie is natuurlijk afhankelijk van vele factoren, zoals de voorafgaande therapie, de leeftijd van de patiŽnt en de aan- of afwezigheid van andere risicofactoren. Elke patiŽnt zou zijn/haar eigen pakket aan follow-upparameters moeten samenstellen. Onderdelen die aan bod zouden kunnen komen zijn:

Preventieve maatregelen