Langerhanscel histiocytose (LCH)

Datum laatste herziening: 20-02-2015

Inleiding

Langerhanscel histiocytose

StadiŽring en diagnostiek Langhanscel histiocytose

Definitie orgaanbetrokkenheid (zie Komp et al, Cancer 1981)

Diagnostiek

Therapie Langerhanscel histiocytose

1. Single system ziekte

2a. Multisystem ziekte – LOW RISK

2b. Multisystem ziekte – HIGH RISK

3. GeÔsoleerde long-histiocytose

4. CNS lokalisaties

Recidieven of refractaire ziekte

Literatuur

Verwante pagina's

Links in deze pagina

Chemolijsten (overige)

Inleiding

Histiocytaire aandoeningen zijn zeer zeldzaam (incidentie bij volwassenen minder dan 5 per miljoen) en hematologen worden er maar incidenteel mee geconfronteerd. Hieronder volgen enkele globale adviezen voor diagnostiek en therapie, waarbij de tekst beperkt is in de zorg voor volwassenen. Voor details wordt verwezen naar specifieke websites, met name van de Histiocyte Society met hun jarenlange trial-ervaring, en reviews zoals in Up-to-Date.

Langerhanscel histiocytose

Infiltraten van clonaal prolifererende Langerhanscellen met lymfocyten, eosinofielen en normale histiocyten, welke op elke leeftijd kunnen voorkomen, het meest op de kinderleeftijd. In 56% van de patiŽnten is de BRAF V600E mutatie aanwezig.

Synoniemen: Histiocytosis X, eosinofiel granuloom (als solitair), Hand-SchŁller-Christian disease (als multipel), Letterer-Siwe disease (als gedissimineerd of in inwendige organen).

Meest voorkomende solitaire lokalisaties zijn: bot met omgevende weke delen (vooral schedel, maar ook femur, wervels, bekken, ribben), en minder vaak lymfklieren, huid of long. Bij schedel- en aangezichtsbot betrokkenheid moet men bedacht zijn op diabetes insipidus door infiltratie van de hypothalamus-hypofyse-as.

Meest voorkomende multifocale lokalisaties zijn: botten met omgevende weke delen.

Bij gedissemineerde ziekte is er betrokkenheid van huid, bot, lever, milt en beenmerg.

StadiŽring en diagnostiek Langhanscel histiocytose

De Langerhanscel Society (zie http://www.histiocytesociety.org) maakt van meet af onderscheid tussen

  1. 'single system' ziekte (ťťn type orgaan: huid, bot, skelet)
  2. 'multisystem' ziekte, al dan niet met betrokkenheid van risico-organen (lever, milt, long, beenmerg)
  3. geÔsoleerde long-ziekte

Definitie orgaanbetrokkenheid (zie Komp et al, Cancer 1981)

Specifiek orgaanDefinitie van betrokkenheid
Hematopoetische betrokkenheid met of zonder beenmergbetrokkenheid
NB: Pos BM vereist CD1a+ cellen in aspiraat; hypocellulariteit, hemofatocytose, dysplasie en/of fibrose tellen niet mee, en worden als secundaire fenomenen gescoord.
anemie (Hb < 6.2 mmol/l)
leukocytopenie (<4x109/l)
trombocytopenie (<100x109/l)
Milt>2 cm onder ribbenboog
Lever>3 cm onder ribbenboog
en/of
totaal eiwit <55 g/l; albumine <25 g/l; hyperbilirubinemie (>26 mmol/l)
LongKarakteristieke HR-CT afwijkingen met of zonder functiebeperking met of zonder histopathologische diagnsose

Diagnostiek

Therapie Langerhanscel histiocytose

1. Single system ziekte

Huid (gegevens verkregen uit Up-to-Date en Handboek Hematologie): observeren, lokaal steroidzalf, of lokaal tacrolimus. Bij volwassenen evt oraal methotrexaat 20 mg/m2 week, zo nodig in combinatie met mercaptopurine 50 mg/m2 per dag. Thalidomide schijnt ook effectief te kunnen zijn. Evt bij zeer refractaire lesies topical mechloretamine (stikstofmosterd overwegen. Als de huidlesies zeer uitgebreid en problematisch zijn eventueel systemisch cladribine of oraal etoposide. NB: geen chirurgie, en radiotherapie lijkt voor de huid weinig effect te hebben.

Overige lokalisaties: Vaak geen therapie nodig, zeker niet als het om een geÔsoleerde bothaard gaat in een niet-dragend deel van het skelet.

Er is wťl therapie nodig bij:

  1. multifocale bothaarden
  2. Wervellesies met wekedelen betrokkenheid die wervelkanaalcompressie kunnen geven
  3. CNS-risico: betrokkenheid van aangezichtsbotten, voorste en middelste fossa met doorgroei intracranieel.

Inductietherapie

Maintenance therapie

Start op dag 43. Totale duur 6 maanden.

2a. Multisystem ziekte – LOW RISK

(geen betrokkenheid risico-organen, zoals lever, milt, beenmerg, long)

Zelfde schema als Single system ziekte:

Inductietherapie

Als response na 6 weken#, continueren met:

Maintenance therapie

Start op dag 43. Totale duur 6 maanden.

2b. Multisystem ziekte – HIGH RISK

(wel betrokkenheid risico-organen, zoals lever, milt, beenmerg, long)

NB: onderstaand schema is gebaseerd op studies bij kinderen (zie Gadner et al, Blood 2008), welke suggereren dat toevoegen van etoposide de responsen en overleving verbeteren. Trialdata bij volwassenen zijn er nog niet.

Inductietherapie

Als response na 6 weken#, continueren met:

Maintenance therapie

Start op dag 43. Totale duur 6* maanden.

* Onduidelijk is, of 12 maanden maintenance beter is.
# Indien geen response na 6 weken inductie: overweeg salvage therapie (cladribine/cytarabine; Reduced intensity allogene stamceltransplantatie, zie Gadner et al, Blood 2008)

3. GeÔsoleerde long-histiocytose

Komt vrijwel alleen bij (ex)rokers voor. Stoppen met roken is essentieel en induceert bij velen een spontane remissie. Standaard is om te wachten tot maximaal 6 maanden, tenzij al eerder progressie. Mono-therapie met prednison gedurende 6 maanden is dan de volgende stap, met het volgende schema:

4. CNS lokalisaties

Kunnen zich manifesteren als haarden in de witte of grijze stof, als endocriene uitval door hypofyse-betrokkenheid of als neurodegeneratief syndroom. Zowel cladribine als cytarabine zijn effectief. Een paar case reports suggereren dat imatinib ook effectief is (zie Dhall et al, en Allen et al, Janku et al.).

Recidieven of refractaire ziekte

Een recidief van low-risk LHC >12 maanden na behandeling reageert vaak (85%) goed op re-inductie met vinblastine en prednisolon, bij voorkeur in combinatie met oraal MTX en 6-mercaptopurine.

Recidief <12 maanden na behandeling: Cladribine, 0.14 mg/kg in 2-uurs infuus, dag 1 tot 5, elke 4 (tot 6) weken, in totaal 6 kuren. Zie Saven et al. Onbekend is of cladribine subcutaan even effectief is als i.v. Patienten die refractair op cladribine zijn zouden goed kunnen reageren op clofarabine (zie Up-to-Date voor referenties).

Voor patiŽnten met de BRAF mutatie zou therapie met vemurafenib overwogen kunnen worden (Haroche J et al, Blood 2013).

Gegevens over allogene stamceltransplantatie bij volwassenen zijn er nauwelijks. Bij kinderen (zeer kleine series) is dit soms effectief, maar zeer toxisch, reden waarom een RIST procedure wordt geadviseerd.

Literatuur

  1. http://www.histiocytesociety.org.
  2. Jaffe R, Weiss LM, Facchetti F: Tumours derived from Langerhans cells. In: WHO Classification of Tumours of Haematopoietic and Lymphoid Tissues 2008, pp. 358-360.
  3. Komp DM, Herson J, Starling KA, Vietti TJ, Hvizdala E. A staging system for histiocytosis X: a Southwest Oncology Group Study. Cancer 1981; 47:798-800.
  4. Arico M. Langerhans cell histiocytosis in adults: more questions than answers? Eur J Cancer 2004; 40:1467-1473.
  5. Arico M, Clementi R, Caselli D, Danesino C. Histiocytic disorders. Hematol J 2003; 4:171-179.
  6. Gadner H, Grois N, Potschger U et al. Improved outcome in multisystem Langerhans cell histiocytosis is associated with therapy intensification. Blood 2008; 111:2556-2562.
  7. Vassallo R, Ryu JH, Schroeder DR, Decker PA, Limper AH. Clinical outcomes of pulmonary Langerhans'-cell histiocytosis in adults. N Engl J Med 2002; 346:484-490.
  8. Saven A, Burian C. Cladribine activity in adult langerhans-cell histiocytosis. Blood 1999; 93:4125-4130.
  9. Badalian-Very G, Vergilio JA, Degar BA et al. Recurrent BRAF mutations in Langerhans cell histiocytosis. Blood 2010;116(11):1919-1923.
  10. Dhall G, Finlay JL, Dunkel IJ et al. Analysis of outcome for patients with mass lesions of the central nervous system due to Langerhans cell histiocytosis treated with 2-chlorodeoxyadenosine. Pediatr Blood Cancer 2008;50(1):72-79.
  11. Allen CE, Flores R, Rauch R et al. Neurodegenerative central nervous system Langerhans cell histiocytosis and coincident hydrocephalus treated with vincristine/cytosine arabinoside. Pediatr Blood Cancer 2010;54(3):416-423.
  12. Janku F, Amin HM, Yang D, Garrido-Laguna I, Trent JC, Kurzrock R. Response of histiocytoses to imatinib mesylate: fire to ashes. J Clin Oncol 2010;28(31):e633-e636.
  13. Haroche J, Cohen-Aubart F, Emile JF et al. Dramatic efficacy of vemurafenib in both multisystemic and refractory Erdheim-Chester disease and Langerhans cell histiocytosis harboring the BRAF V600E mutation. Blood 2013;121(9):1495-1500.


VERWANTE PAGINA'S:
- Rosai-Dorfman
- True histiocytic sarcoma
- Kikuchi's disease


LINKS IN DEZE PAGINA:
- Inductietherapie
- Inductietherapie
- http://www.histiocytesociety.org


CHEMOLIJSTEN (OVERIGE) VOOR DEZE PAGINA:
   Langerhanscel Histiocytose multisystemziekte low risk
   Langerhanscel Histiocytose multisystemziekte high risk
   Cladribine intraveneus
   Cladribine s.c.


Printerversie PrinterversieMail deze pagina Mail deze pagina


© UMCG  |   Disclaimer