Myelodysplastisch syndroom

Datum laatste herziening: 18-12-2018

Kenmerken

Diagnose en classificatie

Minimale diagnostische criteria voor MDS volgens de nieuwe WHO 2008-indeling

WHO-classificatie 2017 myelodysplastische syndromen (MDS)

Myelodysplastisch/myeloproliferatieve mengbeelden

IPSS-R prognostische score voor MDS

IPSS-R score en overleving

Onderzoek

Differentiaal diagnose

Behandeling

Laag risico MDS

Hoog risico MDS

CMML, risicoscore en behandeling:

Literatuur

Links in deze pagina

Trial-info

Chemolijsten (overige)

Labaanvraagformulieren

Kenmerken

Myelodysplastisch syndroom (MDS) wordt gekenmerkt door cytopenie en dysplasie van ťťn of meerdere cellijnen in het bloed:

Beenmergonderzoek toont vaak toegenomen celrijkdom, met soms tekenen van fibrosering. Omdat dysplasie ook kan voorkomen bij andere aandoeningen of bij gebruik van medicamenten, is voor het stellen van de diagnose belangrijk dat er geen aanwijsbare andere pathologie is.

Naast evolutie naar AML (ongeveer 25%) is het belangrijkste probleem bij MDS optreden van beenmergfalen (bij circa 75% van de patienten). Verhoogde infectievatbaarheid is een frequente oorzaak van verkorte overleving. Bij hoog risico MDS is er in principe indicatie voor allogene stamceltransplantatie. Met behulp van NGS (next generation sequencing) kunnen eventuele ongunstige mutaties worden aangetoond en kan een betere risicoinschatting worden gemaakt.

Diagnose en classificatie

Minimale diagnostische criteria voor MDS volgens de nieuwe WHO 2008-indeling

Vereist criteria (beide aanwezig):

Additionele criteria(minstens ťťn aanwezig):

WHO-classificatie 2017 myelodysplastische syndromen (MDS)

TypePerifeer bloedBeenmerg
MDS-SLD
MDS with single lineage dysplasia (SLD)cytopenie (1-2 reeksen)
< 1% blasten
dysplasie in ťťn reeks
<5% blasten
geen Auerstaven
<15% ringsideroblasten (<5% bij SF3B1 mutatie)
MDS-MLD
MDS with multilineage dysplasia (MLD)cytopenie in 1-3 reeksen
< 1% blasten
dysplasie in >1 reeks
<5% blasten
geen Auerstaven
<15% ringsideroblasten (<5% bij SF3B1 mutatie)
MDS-RS-SLD
MDS with ringsideroblasts and single lineage dysplasiacytopenie in 1-2 reeksen
< 1% blasten
dysplasie in ťťn reeks
<5% blasten
geen Auerstaven
≥15% ringsideroblasten (≥5% bij SF3B1 mutatie)
MDS-RS-MLD
MDS with ringsideroblasts and multilineage dysplasiacytopenie in 1-3 reeksen
< 1% blasten
dysplasie in >1 reeks
<5% blasten
geen Auerstaven
≥15% ringsideroblasten (≥5% bij SF3B1 mutatie)
MDS with isolated del(5q)
MDS met geÔsoleerde deletie van 5q of met 1 andere cytogenetische afwijking (niet zijnde verlies van chromosoom 7 of del(7q))cytopenie in 1-2 reeksen
< 1% blasten
dysplasie in 1-3 reeksen
<5% blasten
geen Auerstaven
MDS-EB-1
MDS with excess blasts-1cytopenie in 1-3 reeksen
1-4% blasten
dysplasie in 1-3 reeksen
5-9% blasten
geen Auerstaven
MDS-EB-2
MDS with excess blasts-2cytopenie in 1-3 reeksen
5-19% blasten, en/of Auerstaven
dysplasie in 1-3 reeksen
10-19% blasten
en/of Auerstaven
MDS-U
MDS unclassifiable with 1% blood blasts cytopenie in 1-3 reeksen
1% blasten (tweemaal gemeten)
<5% blasten
geen Auerstaven
MDS unclassifiable with SLD and pancytopeniacytopenie in 3 reeksen
<1% blasten
dysplasie in 1 reeks
<5% blasten
geen Auerstaven
MDS unclassifiable based on defining cytogenetic abnormalitycytopenie ontbreekt vaak
<1% blasten
geen dysplasie
<5% blasten
geen Auerstaven
<15% ringsideroblasten cytogenetica: MDS-defining abnormality*

Speciale vormen van MDS:

Twee entiteiten die niet als MDS kunnen worden geclassificeerd:

Myelodysplastisch/myeloproliferatieve mengbeelden

Chronische myelomonocytaire leukemie (CMML)
  • aanhoudende monocytose in bloed (≥1.109/l, ≥10% van leukocyten) en
  • <20% blasten in bloed en beenmerg en
  • dysplasie in ≥1 myeloide lijn of cytogenetische afwijking (+8, -7, -7p, e.a.) of moleculaire mutatie (TET2, SRSF2, ASXL1, e.a) of monocytose > 3 maanden waarbij andere oorzaken zijn uitgesloten
  • voldoet niet aan de WHO criteria voor CML, primaire myelofibrose, PV of ET
  • geen mutaties in PDGFRa, PDGFRb, FGFR1 en PCM1-JAK2
Atypische chronische myeloÔde leukemie (aCML)
  • leukocytose (≥13.109/l) met neutrofiele voorlopers ≥10% van de leukocyten en
  • dysgranulopoiese en
  • hypercellulair beenmerg met granulocytaire proliferatie en dysplasie (met eventueel dysplasie in erytroide of megakaryocytaire reeks) en
  • <20% blasten in bloed en beenmerg
  • geen of minimale basofilie (<2%)
  • geen of minimale monocytose (<10%)
  • voldoet niet aan de WHO criteria voor CML, primaire myelofibrose, PV of ET
  • geen mutaties in PDGFRa, PDGFRb, FGFR1 en PCM1-JAK2
  • mutaties in o.a. SETBP1 of ETNK1
Juveniele myelomonocytaire leukemie (JMML)
  • alle 4 klinische/hematologische criteria en
  • 1 genetisch criterium of beide overige criteria
Klinische en hematologische criteria (alle 4 vereist):
  • monocytose (≥1.109/l)
  • < 20% blasten in perifeer bloed en beenmerg
  • splenomegalie
  • geen t(9;22) of BCR-ABL1 fusie aantoonbaar
Genetische criteria:
  • verworven (somatische) mutatie in PTPN11, KRAS of NRAS
  • neurofibromatose type 1 (klinische diagnose of NF1 mutatie aangetoond)
  • kiemlijn CBL mutatie en verlies van heterozygositeit van CBL
Overige criteria:
  • monosomie 7 of andere cytogenetische afwijking
  • ≥ 2 van onderstaande criteria:
    • Verhoogd HbF
    • Myeloide of erytroide voorlopers in bloed
    • Beenmergkweek: toegenomen gevoeligheid voor GM-CSF
    • STAT5 hyperfosforylatie
Myelodysplastisch/myeloproliferatief neoplasma met ring sideroblasten en trombocytose (MDS/MPN-RS-T)
  • anemie met dysplasie in erytroide reeks
  • ≥15% ringsideroblasten
  • <1% blasten in perifeer bloed
  • <5% blasten in beenmerg
  • trombocytose (≥450.109/l)
  • SF3B1 en JAK2 V617F mutatie
  • geen recent gebruik van groeifactoren of cytotoxische medicatie
  • geen BCR-ABL1 fusiegen aantoonbaar
  • geen mutaties in PDGFRa, PDGFRb, FGFR1 en PCM1-JAK2
  • geen t(3;3)(q21.3;q26.2), inv(3)(q21.3;q26.2), del(5q)
  • geen MDS (behalve MDS-RS), MPN of mengbeeld in de voorgeschiedenis
Myelodysplastic/myeloproliferative neoplasm, unclassifiable (MDS/MPN-U)
  • <20% blasten in bloed en beenmerg
  • klinische en morfologische kenmerken van MDS
  • klinische en morfologische kenmerken van MPN
  • geen recent gebruik van groeifactoren of cytotoxische medicatie
  • geen mutaties in PDGFRa, PDGFRb, FGFR1 en PCM1-JAK2
  • voldoet niet aan criteria voor MDS met geÔsoleerde del(5q) (ongeacht trombocytose of leukocytose)

IPSS-R prognostische score voor MDS

VariabeleScore
  00.511.5234
Karyotype (CCSS groep)*Very good-Good-IntermediatePoorVery poor
% blasten in het beenmerg≤2-2-5-5-10>10-
Hemoglobine (mmol/l)≥6.2-5.0-6.2<5.0---
Trombocyten (.109/l)≥10050-100<50----
Neutrofielen (.109/l)≥0.8<0.8-----
* Comprehensive Cytogenetic Scoring System (CCSS) for MDS:
Very good: -Y, del(11q)
Good: normaal karyotype, del(5q), del(12p), del(20q), twee cytogenetische afwijkingen waaronder del(5q)
Intermediate: del(7q), +8, +19, iso(17q), 1 of 2 afwijkingen die niet onder (very) poor of (very) good vallen, ≥2 onafhankelijke niet complexe klonen
Poor: +7, inv(3), t(3q), del(3q), twee cytogenetische afwijkingen waaronder -7 of del(7q), complex (3 cytogenetische afwijkingen)
Very poor: complex (>3 cytogenetische afwijkingen)

IPSS-R score en overleving

Risk groupIPSS-R scoreMediane overleving in jaren
Very low≤1.58.8
Low1.5-35.3
Intermediate3-4.53.0
High4.5-61.6
Very high>60.8

Mutaties aangetoond met NGS kunnen in aanvulling op de IPSS-R een nader onderscheid maken, waarbij met name mutaties in TP53 en het aantal mutaties (>3) geassocieerd zijn met een slechtere prognose en kortere duur van respons bij hypomethylerende therapie. Ongunstig zijn mutaties in ASXL1, TP53, ETV6, EZH2, RUNX1, SRSF2, U2AF1, STAG2, CBL en NRAS, gunstig zijn mutaties in SF3B1.

Onderzoek

Differentiaal diagnose

Behandeling

Behandeling
low risk met del(5q)
  • lenalidomide
low risk
  • EPO (bij sEPO < 500) Ī G-CSF (zie tabel 1)
  • transfusies
  • bij jonge patienten (hypocellulair BM en/of HLA-DR15 positief): immuunsuppressie (ATG, ciclosporine, androgenen)
high risk en transplantatie kandidaat
  • hypomethylerende therapie of intensieve chemotherapie gevolgd door allogene stamceltransplantatie
  • in studieverband: HOVON 155 of HOVON 157
High risk, geen transplantatie kandidaat
  • hypomethylerende therapie
  • supportive care
  • in studieverband: HOVON 155 of HOVON 157

Laag risico MDS

De behandeling van low risk MDS is complex. Er zijn geen prospectief gerandomiseerde studies beschikbaar die kunnen dienen als leidraad.

Kans op succes met Epo/G-CSF (Blood 1998:92:68)

PuntenScoreRespons %
Transfusiebehoefte < 2U/maand0   074%
Serum epo < 500 U/l0   123%
Transfusiebehoefte > 2U/l1   27%
Serum epo ≥ 500 U/l1      

Hoog risico MDS

CMML, risicoscore en behandeling:

Itzykson score (JCO 2013:31:2428)

Leeftijd > 652 punten
Leukocyten > 15.10^9/L3 punten
Hb < 6.2 mmol/l (vrouwen)
Hb < 6.8 mmol/l (mannen)
2 punten
Trombocyten < 100.10^9/L2 punten
ASXL1 mutatie2 punten
Laag risico: 0-4 punten, intermediair risico: 5-7 punten, hoog risico 8-11 punten

Literatuur


LINKS IN DEZE PAGINA:
- Behandeling van acute myeloÔde leukemie


TRIAL-INFO VOOR DEZE PAGINA:
ACE-536-MDS (Luspatercept)
   Originele protocol
   PatiŽnteninformatie
   Recept
   Samenvatting
   SAE-formulier

HOVON 89
   Originele protocol
   PatiŽnteninformatie
   Recept lenalidomide
   Checklist
   SAE-formulier

IMerge – imetelstat
   Originele protocol
   PatiŽnteninformatie 1
   PatiŽnteninformatie 2
   Recept

MDS2002
   Originele protocol
   PatiŽnteninformatie
   Cyclus 3 en verder
   Recept Daratumumab
   Samenvatting
   SAE-formulier

QUAZAR AZA-MDS-003
   Originele protocol
   PatiŽnteninformatie
   Optional research consent
   Studierecept
   Samenvatting
   SAE-formulier



CHEMOLIJSTEN (OVERIGE) VOOR DEZE PAGINA:
   Azacitidine maintenance



LABAANVRAAGFORMULIEREN IN DEZE PAGINA:
- Beenmerg PA
- Beenmergonderzoek Hematologie: formulier voor INTERN gebruik
- Cytogenetica

Printerversie PrinterversieMail deze pagina Mail deze pagina


© UMCG  |   Disclaimer