Infectiepreventie / vaccinatie bij splenectomie, hyposplenisme en asplenie

Datum laatste herziening: 18-06-2019

PatiŽnten met een (functionele) asplenie hebben een sterk verhoogd risico op ernstig verlopende infecties, vaak aangeduid met “overwhelming postsplenectomy infection” (OPSI) of post-splenectomiesepsis.

De behandeling in deze richtlijn is erop gericht deze ernstig verlopende infecties proberen te voorkomen en is een samenvatting van de landelijke LCI-richtlijn Asplenie.

PatiŽntgroepen

Er zijn een aantal groepen volwassen patiŽnten met een (functionele) asplenie die voor onderstaande adviezen en behandeling in aanmerking komen:

  1. PatiŽnten bij wie de milt is verwijderd of binnenkort verwijderd zal worden
  2. PatiŽnten bij wie embolisatie heeft plaatsgevonden na traumatisch miltletsel
    1. Adviezen zijn afhankelijk van het type embolisatie en het resterende functionele miltweefsel (hierbij kan miltscintigrafie duidelijkheid geven, zie hieronder)
  3. PatiŽnten bij wie de milt niet goed functioneert (functionele asplenie) vanwege een onderliggende ziekte of eerdere behandeling
    1. Sikkelcelanemie
    2. Na bestraling op de milt
    3. Na een miltinfarct
    4. Bij een ernstige IBD of coeliakie (waarvoor controle in het ziekenhuis nodig is)

Er zijn veel andere aandoeningen met een risico op een functionele asplenie maar waarbij de mate van hyposplenie niet goed is in te schatten. Deze groepen hoeven niet standaard gevaccineerd te worden maar kan op individuele basis een inschatting worden gemaakt.

De aanwezigheid van Howell Jolly lichaampjes kan wijzen op een (functionele) asplenie, echter de afwezigheid sluit dit niet uit.

Na embolisatie van de milt

PatiŽnten na embolisatie van de milt dienen op week 2 na de embolisatie een afspraak te krijgen op de polikliniek infectieziekten. De internist-infectioloog zal poliklinisch beoordelen of patiŽnt de genoemde vaccinaties kan krijgen (afwezigheid inflammatie) en of er een indicatie is voor miltscintigrafie (bepaling resterend functioneel miltweefsel).

Behandeling

Om het risico op ernstig verlopende infecties bij patiŽnten met een (functionele)asplenie te verlagen dienen meerdere maatregelen genomen te worden. Deze zijn onder te verdelen in drie categorieŽn: vaccinatie, antibioticagebruik (profylactisch en on-demand) en educatie aan de patiŽnt.

Vaccinatie

  1. Geconjugeerd pneumokokkenvaccin (PCV): Prevenar13
    1. Eenmalig, twee maanden voor PPV23
  2. Polysaccharidenpneumokkenvaccin (PPV): Pneumovax23
    1. Twee maanden na PCV13, herhalen iedere 5 jaar
  3. Heamophilus influenza type B: act-Hib
    1. Eenmalig
  4. Geconjugeerd meningokokkenvaccin tegen:
    1. Serotype A, C, W en Y: Nimenrix of Menveo
      1. Eenmalig
    2. Serotype B: Bexsero
      1. Tweemaal met een tussenpozen van een maand
    3. Influenza
      1. Jaarlijks via de huisarts

DUS

Indien de splenectomie over minimaal 10 weken plaatsvindt
Tijd tot splenectomieVaccinatie
Week -10Prevenar 13
Act-Hib
Bexsero
Nimenrix of Menveo
Week -6Bexsero
Week -2Pneumovax23 (na iedere 5 jr herhalen)

OF

Indien de splenectomie over minimaal 2 weken plaatsvindt
Tijd tot splenectomieVaccinatie
Week -2Prevenar 13
Act-Hib
Bexsero
Nimenrix of Menveo
Week +2Bexsero
Week +6Pneumovax23 (na iedere 5 jr herhalen)

OF

Indien de splenectomie reeds heeft plaatsgevonden
Tijd na splenectomieVaccinatie
Week +2 (tenminste, mag vanzelfsprekend ook later)Prevenar 13
Act-Hib
Bexsero
Nimenrix of Menveo
Week +6Bexsero
Week +10Pneumovax23 (na iedere 5 jr herhalen)

Tijdstip vaccinatie

Antibiotica

  1. Profylaxe: feneticilline 2dd250mg  of fenoxymethylpenicilline 2dd250mg
    1. Gedurende de eerste twee jaar na de splenectomie
    2. De profylactische antibiotica lijkt steeds belangrijker te worden door de toename van pneumokokkeninfecties met serotypen die niet in het vaccin zitten (tgv het Rijksvaccinatieprogramma)
    3. Bij allergie voor penicillines: azitromycine 3 keer per week 250mg of claritromycine ret 1dd500mg
  2. Bij koorts of gevoel van koorts: amoxicilline-clavulaanzuur 3dd625mg
    1. PatiŽnt goed informeren: altijd bij zich dragen, direct innemen en daarna contact opnemen met arts
    2. Bij allergie voor penicillines of amoxicilline-clavulaanzuur: moxifloxacine 1dd400mg
  3. Bij honden- of kattenbeten: amoxicilline-clavulaanzuur 3dd625mg gedurende 7 dagen
    1. Bij allergie voor penicillines of amoxicilline-clavulaanzuur: clindamycine 3dd600mg en ciprofloxacine 2dd500mg gedurende 5 dagen
    2. Bij allergie voor penicillines of amoxicilline-clavulaanzuur: clindamycine 3dd600mg en ciprofloxacine 2dd500mg gedurende 5 dagen

PatiŽntinformatie


VERWANTE PAGINA'S:
- Vaccinatie na allogene HSCT
- Levend (verzwakte) vaccins vs geÔnactiveerde vaccins

Printerversie PrinterversieMail deze pagina Mail deze pagina


© UMCG  |   Disclaimer