Donorselectie

Datum laatste herziening: 08-06-2021

Algemeen

Verwante HLA-identieke donoren

Niet-verwante donoren

Haplo-identieke donoren

Referenties

Verwante pagina's

Algemeen

De keuze voor een type donor hangt af van verschillende factoren van patiŽnt, ziekte en donor (zelden van de logistiek). De uiteindelijke keuze wordt gemaakt op individuele basis en besproken binnen het transplantatieteam.

Met de opgebouwde ervaring en expertise in ons centrum en goede uitkomsten die wereldwijd worden gedeeld, zien wij veel kansen voor haplo-identieke stamceltransplantaties. Als algemeen handvat gebruiken we onderstaande tabel:

ziekte1e keuze2e keuze3e keuze
Myeloide maligniteiten (AML, MDS, CML, MPN)SibMUDHaplo
MyelofibroseSibMUDHaplo
Lymfoide maligniteiten (ALL, NHL, MM) behalve M HodgkinSibHaploMUD
M HodgkinHaploSibMUD
Niet maligne ziekten (oa AA)      

Sib, broer of zus met HLA 10/10 match; Haplo, familielid met zelfde haplotype (meestal HLA 5/10 match); MUD, ongerelateerde donor met HLA 10/10 match; 4e keuze is overigens MMUD, ongerelateerde donor met HLA 8/10 of 9/10 match.

Verwante HLA-identieke donoren

Volledig HLA-identieke siblings die potentieel donor zouden kunnen zijn, worden gekeurd volgens protocol (hema- donor- F 02). Deze keuring omvat een anamnese, lichamelijk onderzoek, beenmergaspiraat en laboratoriumonderzoek (inclusief virusserologie).

Als na het keuringsonderzoek door de onafhankelijke keuringsarts (deze arts maakt geen onderdeel uit van het behandelend team van de beoogde ontvanger) wordt geconcludeerd dat de potentiŽle donor zonder gevaar voor zichzelf en de ontvanger van het transplantaat donor kan zijn en de donor het informed consent getekend heeft, dan is de potentiŽle donor een geschikte donor. Als bij potentiŽle donoren bij de keuring afwijkende bevindingen worden gevonden waardoor deze geen donor kan zijn, dan is het besluit van de keuringsarts bindend. In gevallen waarbij de keuringsarts niet kan inschatten of deze afwijkende bevindingen tot gevolg hebben dat er potentieel gevaar is a) voor de donor om donor te zijn, b) voor de ontvanger als de donor goedgekeurd wordt, dan wordt als volgt gehandeld:

Selectie donor indien meer dan ťťn HLA-identieke sibling beschikbaar is

Er wordt van de mogelijke donoren een donorkeuzetabel gegenereerd. Hierin worden vermeld of geslacht, gewicht, de leeftijd, bloedgroep, CMV en EBV status wel of niet optimaal zijn voor de ontvanger. In het algemeen wordt de voorkeur gegeven aan:

Niet-verwante donoren

Als een patiŽnt geen geschikte sibling donor heeft met HLA 10/10 match, dient te worden gezocht naar een niet-verwante donor. In principe zal worden gestreefd naar een 10/10 donor met hoge resolutie HLA typering (moleculair 10/10). Dit betekent dat de HLA-A, -B, -C, DR, DQ loci moleculair identiek zijn. Indien ook geen haplo-identieke opties zijn, worden bepaalde mismatches (MM) geaccepteerd  of moet patiŽnt worden verwezen voor cord blood transplantatie (UMCU of Erasmus MC).

Er is een aantal observaties, gedaan bij myeloablatieve conditionering, die de verschillende mismatches in perspectief plaatsen. Onderzoek in het verleden liet zien dat bij het gebruik van beenmerg als stamcelbron single mismatch op het HLA-B of HLA-C locus betere resultaten dan mismatch op het HLA-A of HLA-DRB1 locus in geval van myeloablatieve conditionering. In de tweede plaats lijken single mismatch op het HLA-DQ en DP locus minder effect te hebben op overleving. Met name hebben mismatches op het HLA-DQ locus effect op overleving in combinatie met andere MM. Bij het gebruik van PBSC als bron en een myelo-ablatieve conditionering gaven met name antigeen mismatches in de C locus en DRB1 allel mismatches de slechtste resultaten. Het veld is continu in beweging. Door veranderde conditioneringsschema's (bijvoorbeeld de introductie van post-transplantatie cyclofosfamide)  is het de vraag of de bovengenoemde verworven kennis van voorkeurs mismatches nog van toepassing is. Verder zal HLA typering door next-generation sequencing het algoritme ook gaan wijzigen. Als er meerdere potentiele 10/10 donoren zijn dan zal de keus afhangen van het HLA-DP locus en de criteria zoals hierboven genoemd voor identieke familiedonoren. Als er wel mismatches zijn zullen de overwegingen zoals hierboven besproken worden meegewogen.

Voor de manier waarop rekening houdend met bovenstaande donoren een definitieve keuze wordt gemaakt wordt verwezen naar het document op docportal: procedure voor MUD selectie voor allogene stamceltransplantatie.

De keuring van een niet-verwante donor wordt gedaan door het donorcentrum.

Haplo-identieke donoren

Tot vrij recent waren de uitkomsten van haplo-identieke familiedonor transplantaties duidelijk inferieur aan die van mismatched unrelated donor (MMUD) of navelstrengbloed (UCB) transplantaties, vooral ten gevolge van de hoge transplantatie gerelateerde mortaliteit samenhangend met de stringente T cel depletie die werd verricht. Een recente ontwikkeling op het gebied van haplo-identieke familiedonor transplantaties plaatst deze optie in een heel nieuw perspectief. Bij deze nieuwe vorm van transplanteren wordt het door Baltimore ontwikkelde regiem gebruikt, waarbij het toedienen van hoge doseringen cyclofosfamide vroeg na transplantatie (dag +3 en +4) een selectieve T cel depletie bewerkstelligt met behoud van infectieuze en antitumor  immuniteit. De resultaten van deze conditionering (gereduceerde intensiteit) zijn gelijk aan die van een MMUD. Er zijn ook meerdere studies die een myelo-ablatieve conditionering gebruiken in combinatie met post-transplantatie cyclofosfamide in de haplo-identieke setting. Deze resultaten zijn ook zeker vergelijkbaar met MMUD transplantaties. Er zijn ook al studies die geen verschil laten zien tussen 10/10 MUD donoren en haplo-identieke donoren. Een prospectieve gerandomiseerde studie waaraan het UMCG ook zal deelnemen zal moeten uitwijzen of de resultaten van een haplo-identieke donor inderdaad identiek zijn aan die van een 10/10 gematchte MUD. Vooralsnog wordt in ons centrum nu de voorkeur gegeven aan een haplo-identieke transplantatie indien het een M Hodgkin betreft of geen volledig HLA identieke sibling donor kan worden gevonden bij de overige  lymfatische maligniteiten. Bij myeloÔde maligniteiten staat vooralsnog de MUD op de 2e plaats indien geen volledig HLA identieke sibling donor kan worden gevonden.  Bij een verminderde hartfunctie gelden andere regels vanwege de mogelijke cardiale toxiciteit van de post-Tx cyclofosfamide. De keuze om een haplo-identieke transplantatie te combineren met een myelo-ablatieve of reduced intensity conditionering hangt af van de leeftijd, co-morbiditeit, ziekte en remissiestatus. Als stamcelbron wordt in het UMCG bij de haplo-identieke nog beenmerg gebruikt aangezien dit in de originele studies ook werd gebruikt. Dit leidt tot minder GVHD gezien het kleinere aantal T-cellen in het transplantaat. Er zijn ook al series met het gebruik van perifeer bloed stamcellen die een acceptabel GVHD risico laat zien. Wij zullen het gebruik van perifeer bloed als haplo-identieke stamcelbron overwegen bij een sterk verhoogd risico op een recidief, bij een hoge kans op graft failure of bij een sterk verschil aan gewicht van de donor en ontvanger (afgezet tegen het risico op GVHD). In de praktijk betreft het meestal:

Bij meerdere potentiŽle haploidentieke donoren, maken we keuze op basis van bovenstaande criteria (zie onder Verwante HLA-identieke donoren), waarbij uiteraard ook rekening gehouden wordt met HLA antistoffen.

Referenties


VERWANTE PAGINA'S:
- Inleiding
- Berekening co-morbiditeit
- Indicaties allogene stamceltransplantatie
- EBV - PTLD preventie
- Rode bloedcel- en HLA-fenotypering transfusiebeleid
- Routing allogene stamcellen
- Transfusie van rode bloedcelconcentraat
- Samenvatting ondersteunende behandeling
- Graft Failure
- Opleidingseisen allogeen

Printerversie PrinterversieMail deze pagina Mail deze pagina


© UMCG  |   Disclaimer